donderdag 9 april 2015

Beschouwing theorieën eerste taalverwerving

Er zijn verschillende theorieën over de eerste taalverwerving bij kinderen. De één spreekt van de theorie van de Universele Grammatica, de ander pleit voor de optimaliteitstheorie, weer een ander is er juist van overtuigd dat kinderen helemaal niet over aangeboren grammatica beschikken en sommige mensen spreken van de neurale-netwerktheorieën. Veel verschillende meningen dus, waardoor men zich af kan vragen welke theorie nu de juiste is. Om deze theorieën te verduidelijken zal ik in een beschouwing proberen alle vier de theorieën goed uit te lichten, waarna u zelf kunt beslissen welke theorie volgens u de juiste is.

Theorie 1: de theorie van de Universele Grammatica

De voornaamste aanhanger van deze theorie is de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky. De Universele Grammatica (afgekort UG), is een stelsel van dwingende regels waaraan alle talen gehoorzamen. Chomsky is van mening dat kinderen hun moedertaal zo snel leren en bepaalde fouten niet maken, omdat de mens genetisch uitgerust is voor het leren van taal: de mens beschikt over een aangeboren taalvermogen (de UG).

De UG bestaat uit principes en parameters. De principes liggen voor alle talen vast en zijn aangeboren; de parameters worden gebruikt voor het leren van de specifieke kenmerken van een bepaalde taal en worden dus later pas gebruikt. Deze parameters geven aan wat de regels voor de desbetreffende taal zijn. Principes zijn algemene regels voor alle talen, maar parameters kunnen per taal verschillen. Een voorbeeld van een principe is dat in alle talen een zin een onderwerp moet hebben. In sommige talen, zoals het Italiaans, hoef je echter geen expliciet onderwerp te gebruiken, omdat men aan het werkwoord kan zien welke persoon bedoeld wordt. Er wordt dan gezegd dat de parameter "onderwerp" leeg is.

Met deze beperkte verzameling grammaticale regels kunnen mensen oneindig veel zinnen produceren, ook zinnen die nog nooit door iemand uitgesproken, gedacht of gehoord zijn. Door dit gegeven wordt de theorie van de Universele Grammatica generatief genoemd: het verklaart de generatie (het voortbrengen) van oneindig veel mogelijke zinnen op grond van een eindige verzameling regels. Er zijn echter wel onduidelijkheden waar deze theorie geen antwoord heeft, zoals de vele tegenvoorbeelden en uitzonderingen (bijv. dat er in het Italiaans soms geen gebruik wordt gemaakt van een onderwerp).

De ideeën van Chomsky worden vaak verdedigd met het argument van de 'poverty of the stimulus'. Dit houdt in dat wanneer we kijken naar het taalaanbod dat kinderen krijgen, ze nooit zulke complexe zinnen zouden kunnen leren maken als ze niet over een aangeboren taalvermogen zouden beschikken. In het taalaanbod komen namelijk nogal eens versprekingen, onafgemaakte zinnen, ongrammaticale zinnen of slecht hoorbare zinnen voor.

Theorie 2: de optimaliteitstheorie

Deze theorie, in het leven geroepen door de fonoloog Alan Prince en de van oorsprong natuurkundige Paul Smolensky, heeft een andere mening over de eerste taalverwerving en hoe het nou allemaal in elkaar zit. Zij stellen namelijk dat de taalregels in sommige gevallen overtreden mogen worden, namelijk als zij in conflict komen met andere taalregels. De naam optimaliteitstheorie wordt gebruikt om aan te geven dat woorden en zinnen misschien niet perfect gehoorzamen aan alle taalregels, maar wel zo optimaal mogelijk. Hoewel de taalregels wellicht gelden voor alle talen, zijn ze niet in alle talen even sterk. Daardoor verschillen talen in de manier waarop woorden en zinnen worden gevormd.

Het verschil tussen de optimaliteitstheorie en de theorie van de Universele Grammatica kan duidelijk gemaakt worden aan de hand van het volgende voorbeeld. In het Nederlands zegt men 'het regent', terwijl er helemaal niets is dat regent. Dit wordt ook wel een loos onderwerp genoemd. De Italianen gebruiken in dit geval geen loos onderwerp en zeggen daarom alleen 'piove', wat  'regent' betekent. Dit is dus in strijd met de theorie van de UG. Het Italiaans lijkt dus een uitzondering op de zogenaamde onderwerpregel te vormen. Om dit probleem op te lossen stellen aanhangers van de theorie van de UG dat sommige woorden blijkbaar alleen in abstracte vorm aanwezig zijn en niet uitgesproken worden. Italiaanse zinnen zoals 'piove' hebben eigenlijk ook een onderwerp, alleen hoor je het niet.

Volgens Prince en Smolensky is dit onuitgesproken onderwerp niet de juiste verklaring voor het verschil tussen het Nederlands en het Italiaans. Zij pleiten dat hoewel beide talen gehoorzamen aan dezelfde regels, de taalregels in deze talen niet even sterk zijn. Er is sprake van meerdere regels. Er is namelijk ook nog een zogenaamde betekenisregel: elk woord in de zin moet bijdragen aan de betekenis. Blijkbaar verschillen deze regels in het Italiaans en het Nederlands in mate van sterkte. Zodra er twee strijdige regels van toepassing zijn, wint de sterke regel het van de zwakke. Deze twee regels, samen met de verplaatsingsregel heten zachte regels, omdat ze niet volledig dwingen zijn. Dit principe, waarbij je tot de 'beste' zin komt door de regels tegen elkaar af te wegen, heet optimalisatie.

Argumenten voor deze theorie zijn de volgende:

- De ontdekking dat de hersenen ook in andere situaties strijdige eisen voor de kiezen krijgen en daarbij een soortgelijk optimalisatieprincipe hanteren.
- 'het scheermes van Occam'. Dit is een vuistregel die stelt dat van twee theorieën die de feiten even goed verklaren, de eenvoudigste theorie de voorkeur geniet. Volgens deze vuistregel is een theorie die geen gebruik maakt van niet-hoorbare onderwerpen te verkiezen boven een theorie die dat wel doet.
- Met harde regels blijk je niet alles te kunnen verklaren.

Ook is er nog een aspect van deze theorie, namelijk reduplicatie. Dit is het geheel of gedeeltelijk kopiëren van de stam van een woord. Neem als voorbeeld het Paamese woord planten (luhi). Stel we dupliceren de eerste twee lettergrepen van het woord luhi. Dit zou dan het woord luhi-luhi moeten vormen, maar als opeenvolgende lettergrepen respectievelijk 'i' en 'u' bevatten, dan verandert de 'i' in een 'u', dus wordt het luhu-luhi: dit wordt de klankregel genoemd. Men gebruikt echter het woord luhu-luhu, maar dit klopt niet volgens bovengenoemde regels. Hier bied de optimaliteitstheorie een uitweg, met het invoeren van een derde regel: de kopie en het origineel moeten identiek zijn (de kopieregel). De lettergreep 'i' mag niet gevold worden door een lettergreep 'u' (klankregel) en de stam van het nieuwe woord moet identiek zijn aan de invoer (invoerregel).

Theorie 3: het sociale instinct

Er zijn ook mensen die het idee dat kinderen een aangeboren grammatica hebben afwijzen. Een van hen is de Amerikaanse psycholoog Tomasello. Volgens hem leren kinderen van wat volwassenen zeggen. Ze leren allerlei verschillende taalkundige structuren tegelijk, in allerlei vormen en omvang en op allerlei niveaus van abstractie. Vervolgens maken zij hun eigen babbeltaaltje door een aantal van die elementen bij elkaar te voegen op een manier die tegemoetkomt aan hun communicatieve bedoelingen. Deze theorie is gebaseerd op het vermogen van mensen om de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. Dit vermogen tot 'gezamenlijke aandacht' ontwikkelt zich vanaf de leeftijd van negen maanden. Tomasello beweert dat niet het taalinstinct is aangeboren, maar juist het sociale instinct. Daarnaast hebben baby's het vermogen patronen te leren herkennen. Dus als een kind een woord vaak hoort, dan gaat het er vanzelf een betekenis aan geven. Volgens hem zijn kinderen, in tegenstelling tot wat Chomksy dacht, wel in staat taal te leren vanuit hun omgeving.

Tomasello stelt dus tegenover de theorie van Chomsky dat kinderen vanuit hun sociale instinct en met het vermogen om patronen te leren herkennen, wel degelijk voldoende kunnen leren van het taalaanbod. Bovendien zou dat taalaanbod helemaal niet zo arm zijn als door de voorstanders van de UG wordt beweerd.
Theorie 4: de neurale-netwerktheorie

Ook de neurale-netwerktheorie gaat ervan uit dat het taalaanbod rijk genoeg is om kinderen taal te leren. Volgens deze theorie leren kinderen geen taal door voorstellingen en regels op te bouwen of in te vullen, maar door het toepassen van meer algemene cognitieve principes en mechanismen. In het kort stelt deze cognitieve theorie dat kinderen taal leren door de verbindingen in het neurale netwerk (zenuwverbindingen in de hersenen) te versterken. De hersenen bestaan uit vele met elkaar verbonden neuronen. De hersenen 'leren' door de sterkte van de verbindingen tussen neuronen aan te passen. Hoe vaker een bepaalde zinsconstructie of een bepaald woord gehoord wordt, hoe sterker de verbinding wordt waarin die informatie over taal is opgeslagen.

De theorie houdt in, dat wanneer de input steeds dezelfde neuronale route volgt, er iets opmerkelijks gebeurt. De neuronen die op die route liggen, veranderen langzaamaan en de route wordt steeds 'begaanbaarder'. Zo ontstaat er een specifieke toestand van neuronen die geactiveerd worden telkens wanneer er een bepaald woord gezegd wordt.


Dit waren alle vier de theorieën die er bestaan over de eerste taalverwerving bij kinderen. Het is echter tot nu toe nog niet mogelijk geweest om door middel van onderzoeken vast te stellen welke theorie de waarheid vertelt, maar u kunt nu in ieder geval voor uzelf bepalen welke theorie u als waarheid acht.




maandag 26 januari 2015

Essay opdracht


Opdracht 1

Bindend studieadvies: Een bindend studieadvies (BSA) is een beslissing van de universiteit of hogeschool over de voortgang van je opleiding. Elke student krijgt een studieadvies aan het einde van het 1e studiejaar. Het advies kan negatief zijn. Je moet dan stoppen met uw opleiding. Dit is het geval als je niet genoeg studiepunten hebt en voor jou geen bijzondere omstandigheden gelden.

Bachelor: Dit is een graad die aangeeft dat iemand succesvol een bachelor opleiding heeft voltooid aan een instelling voor hoger onderwijs.

Master: Een academische masteropleiding is een één- of tweejarige (en in uitzonderlijke gevallen meer dan twee jaar durende) opleiding volgens de bachelor-masterstructuur en volgt na de academische bachelor opleiding. Je master is een graad die aangeeft dat je een masteropleiding hebt voltooid aan een universiteit of hogeschool.

Selectie aan de poort: Selectie aan de poort is een mogelijkheid die door universiteiten gebruikt wordt om de instroom van nieuwe studenten bij een opleiding te beperken.

Basisbeurs: De Basisbeurs is een vergoeding in het onderwijs in Nederland die wordt uitgekeerd in de vorm van een prestatiebeurs. Het is een vorm van studiefinanciering.

Studievoorschot: Dit is een lening van de overheid tegen voordelige voorwaarden die vanaf 1 september 2015 de basisbeurs vervangt.

Stage: Stage lopen houdt in dat je tijdens je studie enige tijd bij een instelling, organisatie of bedrijf werkt om ervaring op te doen en je kennis en vaardigheden in de praktijk leert toe te passen.

Bestuursfunctie: Een functie in het bestuur van een bepaalde instelling of bedrijf.

Langstudeerders: Dit zijn studenten die meer dan één jaar langer over een opleiding doen dan is toegestaan.

LSVb: De Landelijke Studenten Vakbond, afgekort LSVb, is een federatie van lokale studentenvakbonden. De LSVb is opgericht in 1983 en komt evenals het Interstedelijk Studenten Overleg op voor de belangen van alle studenten aan hbo en universiteit in Nederland. De LSVb wordt geleid door een bestuur van (meestal) vijf studenten. Dit bestuur heeft regelmatig overleg met de bewindspersoon voor het hoger onderwijs, maar ook met de VSNU, de Vereniging Hogescholen en andere relevante organisaties.

Flexstuderen: De student kan zelf bepalen welke vakken hij volgt en op wat voor tempo hij dit doet.

Voltijd: Als voltijdstudent volg je in principe elke dag lessen of colleges, loop je stages en doe je aan zelfstudie. Er wordt van je verwacht dat je gemiddeld 40 uur per week besteedt aan je studie. Je hebt recht op studiefinanciering.

Modulaire opzet: Systeem waarbij de inhoud van de opleiding in afgebakende eenheden of module is.

Leerrechtensysteem: Met leerrechten kunnen studenten aan een hogeschool of universiteit onderwijs inkopen met het (relatief lage) wettelijke collegegeld.

Opdracht 2

Knip: kloof.

Columniste: iemand die voor een dagblad schrijft.

Per saldo: na afrekening blijft over.

Naar rato van: naar het aantal van.

Uitvalcijfers: cijfers van studenten die vroegtijdig stoppen met hun opleiding.

Innovatie: vernieuwing.

Bureaucratisch: ambtenaarlijk.

Rendementseisen: de minimale opbrengst of winst die een instituut of bedrijf moet behalen van een gedane investering.

Opdracht 3

A Het huidige systeem van universiteit en hogeschool

Voor wie toegankelijk?
Iedereen met een vwo-diploma of HBO-bachelor
Lengte van de studie?
Bachelor: 3 jaar
Master: 1,2 of 3 jaar
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Iedereen met dezelfde studie doet dezelfde tentamens.
Waar kun je studeren?
Op universiteiten en hogescholen

 B De Open Universiteit

Voor wie toegankelijk?
Iedereen met een vwo-diploma of HBO-bachelor
Lengte van de studie?
4-5 jaar
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Je kiest zelf via internet welke vakken je wilt volgen.
Waar kun je studeren?
Op afstand (online)

 C Het plan Truijens

Voor wie toegankelijk?
Iedereen met een vwo-diploma of HBO-bachelor
Lengte van de studie?
De (hoor)colleges worden op eigen tempo door de student gevolgd, volgens een programma dat door de universiteit is opgesteld.
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Fysiek aanwezig bij de lessen, maar in eigen tempo.
Waar kun je studeren?
Op universiteiten of hogescholen

 D Het plan van de LSVb

Voor wie toegankelijk?
Iedereen met een vwo-diploma of HBO-bachelor
Lengte van de studie?
Zolang als je zelf wil
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Studenten kunnen zelf hun vakken kiezen
Waar kun je studeren?
Op universiteiten en hogescholen

 E Het plan van Rutte

Voor wie toegankelijk?
Iedereen met een vwo-diploma of HBO-bachelor
Lengte van de studie?
5-6 jaar
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
In ruil voor tegoedbonnen zouden studenten hoger onderwijs kunnen volgen
Waar kun je studeren?
Publieke en particuliere instellingen

 Opdracht 4

1 a) Mensen die zich naast hun studie willen onderscheiden met een extra stage of een bestuursfunctie.
   b) Door het snel studeren en de boete voor langstudeerders wordt hen dat erg moeilijk gemaakt.

2 Studenten kunnen op hun eigen tempo een studie volgen, waardoor zij meer tijd hebben voor een extra stage of bestuursfunctie.

3 Per saldo nemen de studenten niet meer tijd van docenten in beslag.

4 Omdat er een probleem is bij de bekostiging. Een deel van het geld dat universiteiten en hogescholen krijgen, is afhankelijk van het aantal studenten dat afstudeert. Deze rendementseisen moeten er eerst uit.

Opdracht 5
De meningen van de LVSb en vanuit de politiek.

Opdracht 6

Snel studeren is niet voor iedereen geschikt. Mensen die zich naast hun studie willen onderscheiden met een extra stage of een bestuursfunctie ondervinden hiervan veel hinder, doordat zij door het snel studeren bijna geen tijd hebben hiervoor. In dit geval biedt flexibel studeren de oplossing. Bij deze vorm van studeren kunnen studenten op hun eigen tempo een studie volgen, waardoor zij meer tijd hebben voor een extra stage of bestuursfunctie. De LSVb is helemaal voor dit idee en legt uit hoe dit flexstuderen kan werken: de student schrijft zich jaarlijks in voor een zelf te bepalen aantal studiepunten en krijgt naar rato van het aantal punten studiefinanciering uitbetaald. Hier hoeven ook geen extra kosten voor in rekening gebracht te worden, doordat de studenten per saldo niet meer tijd van docenten in beslag nemen. Ook blijven naast het flexstuderen de andere vormen van studeren gewoon bestaan. Echter is het volgens de Tweede Kamer niet mogelijk om dit systeem ook meteen in Nederland in te voeren, omdat er een probleem zal komen bij de bekostiging. Een deel van het geld dat universiteiten en hogescholen krijgen, is afhankelijk van het aantal studenten dat afstudeert en deze rendementseisen zullen er eerst uit moeten, voordat dit systeem ook in Nederland ingevoerd zal kunnen worden.

Opdracht 7

Alinea
Bewering
Bijbehorende argumenten
Objectief / Subjectief
    1                                                         
Studenten van nu hebben amper de tijd om te wennen aan hun nieuwe leven.
1 Door maatregelen als ... er flink op.
2 Volgend jaar … zogeheten studievoorschot
objectief
subjectief (het is een   verwachting, er zijn nog geen feitelijke gegevens
‘Allemaal bedoeld om studenten maar zo snel mogelijk door hun studie heen te jagen.’
Geen argument gegeven.
 
2
... is snel studeren lang niet voor iedereen geschikt;
... sommigen willen ... een bestuursfunctie ...
objectief
3
En langstudeerders hoeven geen extra geld te kosten.
Als je ... in beslag.
objectief
4
‘Die extra jaren zijn geen verloren jaren.’
Langstudeerders zijn ... snelle rakkers.
subjectief
5
‘In je studietijd moet je gekke dingen doen, ...’
Dat kweekt ... als leidinggevende.
subjectief
7
‘Wij zijn helemaal voor.’
Je geeft ... dit doen.
objectief
9
Natuurlijk moet je het flexstuderen niet aan iedereen opleggen.
Er zijn ... willen studeren.
objectief
10
Erik Driessen is positief.
We lopen ... kunnen inhalen.
objectief
12
Het zou goed zijn als Nederlandse universiteiten meer met hun tijd meegaan.
Het volgen ... huidige samenleving.
subjectief
13
Het is inderdaad allemaal niet zo simpel.
De Wet ... te houden.
objectief
14
Volgens Van Meenen ligt het probleem bij de bekostiging
een deel ... dat afstudeert.
objectief
16
‘Het idee voor een flexibel onderwijssysteem is dus niet nieuw’
Het plan … te stimuleren
objectief
17
… is het plan van Truijens volgens SP-Kamerlid Jasper van Dijk ‘vele malen verfrissender’
Het huidige … naar alternatieven.
subjectief

 Opdracht 8

Alinea 1, bewering 1: Eens, zij staan meteen onder druk om snel te studeren en hebben eigenlijk gelijk al zorgen over de te betalen studieschuld door het nieuwe studiesysteem, waarin zij geen basisbeurs meer krijgen van de overheid.

Alinea 1, bewering 2: Eens, studenten worden afgeschrikt door de maatregelen tegen het langer studeren en de enorme studieschuld die zij krijgen.

Alinea 2: Eens, sommige studenten willen graag ook andere dingen doen, zoals een extra stage volgen of tegelijkertijd werken. Dit wordt hen moeilijker gemaakt door het huidige studiesysteem.

Alinea 3: Eens, doordat zij nog steeds hetzelfde bedrag aan collegegeld betalen en geen extra tijd van de leraar nodig hebben, hoeven er geen extra kosten in rekening gebracht te worden voor het langer studeren.

Alinea 4: Eens, langstudeerders zijn veel beter voorbereid op de maatschappij dan de studenten die hun studie snel afronden. Doordat langstudeerders ook een extra stage volgen of werken, leren zij beter hoe de maatschappij in elkaar zit en hoe zij hiermee om moeten gaan.

Alinea 5: Eens, al deze dingen zorgen ervoor dat de student zich als mens verder ontwikkelt, leert om verantwoordelijk te zijn, sociale vaardigheden ontwikkelt, sociale contacten legt en gezond blijft. De studenten zijn nu nog jong en moeten dus nog van het leven kunnen genieten.

Alinea 7: Eens, het is voor een student veel fijner om zelf te kunnen bepalen wanneer hij studeert, hoeveel hij per jaar studeert en welke vakken hij per jaar volgt.

Alinea 9: Eens, er zijn natuurlijk ook studenten voor wie het voltijd studeren wel werkt. Zij willen graag snel klaar zijn met hun studie en daarna gaan werken. Daarom moet het flexibele studeren ook niet aan hen opgelegd worden, maar een keuze zijn. Alle vormen van studeren moeten naast elkaar blijven bestaan.

Alinea 10: Eens, door het flexibele studeren zullen ook volwassenen sneller gaan studeren en door het langere studeren zullen ook de uitvalcijfers lager zijn.

Alinea 12: Eens, de Nederlandse universiteiten kunnen niet achter blijven bij de veranderende samenleving.

Alinea 13: Oneens, de wet kan veranderd worden met een nieuwe wet.

Alinea 14: Eens, door het plan van Truijens in te voeren zullen de universiteiten en hogescholen in de problemen komen met de bekostiging, doordat een deel van hun inkomsten komt van het aantal afgestudeerde studenten. Als studenten langer kunnen doen over hun studie, zullen er minder studenten per jaar afstuderen, waardoor de scholen minder geld krijgen en daardoor in de problemen komen.

Alinea 16: Eens, Mark Ruttes leerrechtensysteem lijkt veel op het plan van Truijens en het idee om het onderwijssysteem te veranderen bestaat dus al langer.

Alinea 17: Eens, minister Jet Bussemaker wil alleen maar voor minder kosten zorgen, terwijl het plan van Truijens echt voor het welzijn van de studenten bedoeld is.

Opdracht 9

1 Niets.

2 De student bepaalt zelf hoeveel uitkering hij aanvraagt, maar dat zegt niets over het studietempo.

3 Nee.

4 Nee.

5 De modernisering wel, omdat modernisering ruimte biedt voor andere ideeën, zoals het plan van Truijens.

Opdracht 10

1 Het flexstuderen is voor mij het aantrekkelijkst, omdat ik nog niet echt weet wat ik wil en door het flexstuderen kan ik studeren en tegelijkertijd een baan nemen, zodat ik wat meer levenservaring kan op doen en kan leren hoe de maatschappij in elkaar zit.

2 Het online studeren op de Open Universiteit is niks voor mij, omdat ik graag sociale contacten wil leggen en de stof beter in mij op kan nemen als ik zelf fysiek aanwezig ben bij de colleges.
 
Opdracht 11

Hoe het studiesysteem eruit zou moeten zien

Onlangs heeft minister Jet Bussemaker van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laten weten dat vanaf 1 september 2015 het sociale leenstelsel ingevoerd zal worden, waardoor de basisbeurs voor studenten vervangen zal worden door een lening. Dit heeft tot veel commotie geleid in heel het land, want er zijn veel mensen die het huidige studiesysteem willen veranderen, maar niet iedereen wil dat op deze manier.
De minister wil graag het onderwijs verbeteren en gaat daarvoor in gesprek met studenten, docenten en bestuurders aan universiteiten en hogescholen om zo een goed beeld te kunnen vormen van de veranderingen die gemaakt moeten worden. Wat ik me dan afvraag is: zou het niet ook goed zijn om met de huidige middelbare scholieren te praten? Wij zijn immers degenen die over een jaar of twee waarschijnlijk zullen gaan studeren.
Het is belangrijk dat studenten voldoende begeleiding en hulp krijgen bij hun studie om deze succesvol af te ronden. Dit is namelijk voor de studenten fijn, maar ook voor de universiteiten en hogescholen, aangezien een deel van het geld dat zij per jaar van de overheid krijgen bepaald wordt door het aantal afgestudeerde studenten. Om studenten genoeg begeleiding te bieden, is het naar mijn mening noodzakelijk dat de groepen niet al te groot zijn, ongeveer 30 leerlingen, zodat elke leerling genoeg aandacht van de docent kan krijgen. Hiervoor is de beste aanpak van de colleges om hoorcolleges af te wisselen met werkcolleges, zodat de studenten niet verveeld raken.
Practica zijn bij vrijwel alle studies erg leerzaam en effectief en moeten absoluut verwerkt worden in het programma van een studie. Tijdens deze practica kunnen de studenten leren hoe zij de geleerde theorie in de praktijk toe moeten passen en alvast oefenen voor wanneer zij later een beroep uitoefenen. Ook stage lopen is een goede manier om de leerlingen voor te bereiden. Tijdens zo’n stage leer je dingen die niet in je lesboek staan en niet op school behandeld worden en kun je ervaren hoe het is om je studie in de praktijk te gebruiken. Op deze manier kunnen studenten ook zien of het beroep dat zij willen gaan beoefenen wel echt iets voor hen is.
Niet alleen stages en practica zijn leerzaam, maar ook uitwisselingsprojecten. Veel studenten lijkt het leuk om een stage in het buitenland te doen en daar nieuwe ervaringen op te doen. Het geeft studenten ook meer verantwoordelijkheid en het helpt hen om zelfstandiger te worden. Deze andere landen hebben tevens andere culturen, waardoor leerlingen ook beter leren om te gaan met cultuurverschillen. Natuurlijk moeten deze uitwisselingsprojecten niet verplicht zijn, want er zijn ook genoeg leerlingen die liever in hun eigen land blijven.
In het plan van Truijens werd de term ‘flexstuderen’ geïntroduceerd. Dit houdt in dat studenten in hun eigen tempo hun studie kunnen volgen, waardoor zij meer tijd hebben voor een extra stage of bestuursfunctie. Voor sommige leerlingen biedt dit flexibel studeren een uitkomst en daarom vind ik dat dit systeem ook ingevoerd moet worden, maar niet verplicht moet zijn, omdat er ook veel studenten zijn die het wel fijn vinden om snel te studeren.
Dan de tentamens en de herkansingsmogelijkheden. Ik ben van mening dat er meerdere toetsen moeten zijn met een beperkt aantal leerstof met aan het eind van het jaar een wat grotere toets waarin alles verwerkt zit. Hierdoor hebben studenten genoeg tijd om zich goed te verdiepen in de stof voor de kleinere toetsen, waardoor zij deze stof beter in zich opnemen. Doordat zij de stof al redelijk goed kennen, zal de grotere toets aan het einde van het jaar makkelijker te maken zijn, aangezien de stof al eerder getoetst is en daardoor beter is blijven hangen. Het zou ook niet efficiënt zijn om per jaar een paar grote toeten te geven, omdat leerlingen dan zoveel moeten leren, dat zij alles maar globaal in zich opnemen en uiteindelijk dus niet veel van de stof binnen krijgen.
Het gebruiken van moderne media zou ook reuze handig zijn. Een laptop of tablet is heel handig om opdrachten uit te werken en verslagen te maken. Echter, tijdens de colleges is het handiger om aantekeningen te maken met pen en papier, omdat je dan de stof beter in je opneemt dan wanneer je het uittypt in Word.
Ten slotte moet de studieduur door de student zelf bepaald kunnen worden. Over het algemeen duurt een studie ongeveer vier jaar, die door de mensen die snel willen studeren dan ook in deze vier jaar afgerond wordt. Voor de mensen die liever flexibel willen studeren zal deze studieduur echter langer zijn, aan de hand van het gekozen tempo van de desbetreffende student.
Veel van de bovengenoemde aspecten worden al toegepast door een groot aantal universiteiten en hogescholen, dus het onderwijs in Nederland is al in de goede richting aan het veranderen. Met nog een paar aanpassingen hier en daar zal het onderwijs tegen de tijd dat wij, de toekomstige studenten, geslaagd zijn een stuk verbeterd zijn en zullen ook wij een leuke en leerzame studie tegemoet gaan.