Er zijn verschillende theorieën over de eerste taalverwerving bij kinderen. De één spreekt van de theorie van de Universele Grammatica, de ander pleit voor de optimaliteitstheorie, weer een ander is er juist van overtuigd dat kinderen helemaal niet over aangeboren grammatica beschikken en sommige mensen spreken van de neurale-netwerktheorieën. Veel verschillende meningen dus, waardoor men zich af kan vragen welke theorie nu de juiste is. Om deze theorieën te verduidelijken zal ik in een beschouwing proberen alle vier de theorieën goed uit te lichten, waarna u zelf kunt beslissen welke theorie volgens u de juiste is.
Theorie 1: de theorie van de Universele Grammatica
De voornaamste aanhanger van deze theorie is de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky. De Universele Grammatica (afgekort UG), is een stelsel van dwingende regels waaraan alle talen gehoorzamen. Chomsky is van mening dat kinderen hun moedertaal zo snel leren en bepaalde fouten niet maken, omdat de mens genetisch uitgerust is voor het leren van taal: de mens beschikt over een aangeboren taalvermogen (de UG).
De UG bestaat uit principes en parameters. De principes liggen voor alle talen vast en zijn aangeboren; de parameters worden gebruikt voor het leren van de specifieke kenmerken van een bepaalde taal en worden dus later pas gebruikt. Deze parameters geven aan wat de regels voor de desbetreffende taal zijn. Principes zijn algemene regels voor alle talen, maar parameters kunnen per taal verschillen. Een voorbeeld van een principe is dat in alle talen een zin een onderwerp moet hebben. In sommige talen, zoals het Italiaans, hoef je echter geen expliciet onderwerp te gebruiken, omdat men aan het werkwoord kan zien welke persoon bedoeld wordt. Er wordt dan gezegd dat de parameter "onderwerp" leeg is.
Met deze beperkte verzameling grammaticale regels kunnen mensen oneindig veel zinnen produceren, ook zinnen die nog nooit door iemand uitgesproken, gedacht of gehoord zijn. Door dit gegeven wordt de theorie van de Universele Grammatica generatief genoemd: het verklaart de generatie (het voortbrengen) van oneindig veel mogelijke zinnen op grond van een eindige verzameling regels. Er zijn echter wel onduidelijkheden waar deze theorie geen antwoord heeft, zoals de vele tegenvoorbeelden en uitzonderingen (bijv. dat er in het Italiaans soms geen gebruik wordt gemaakt van een onderwerp).
De ideeën van Chomsky worden vaak verdedigd met het argument van de 'poverty of the stimulus'. Dit houdt in dat wanneer we kijken naar het taalaanbod dat kinderen krijgen, ze nooit zulke complexe zinnen zouden kunnen leren maken als ze niet over een aangeboren taalvermogen zouden beschikken. In het taalaanbod komen namelijk nogal eens versprekingen, onafgemaakte zinnen, ongrammaticale zinnen of slecht hoorbare zinnen voor.
Theorie 2: de optimaliteitstheorie
Deze theorie, in het leven geroepen door de fonoloog Alan Prince en de van oorsprong natuurkundige Paul Smolensky, heeft een andere mening over de eerste taalverwerving en hoe het nou allemaal in elkaar zit. Zij stellen namelijk dat de taalregels in sommige gevallen overtreden mogen worden, namelijk als zij in conflict komen met andere taalregels. De naam optimaliteitstheorie wordt gebruikt om aan te geven dat woorden en zinnen misschien niet perfect gehoorzamen aan alle taalregels, maar wel zo optimaal mogelijk. Hoewel de taalregels wellicht gelden voor alle talen, zijn ze niet in alle talen even sterk. Daardoor verschillen talen in de manier waarop woorden en zinnen worden gevormd.
Het verschil tussen de optimaliteitstheorie en de theorie van de Universele Grammatica kan duidelijk gemaakt worden aan de hand van het volgende voorbeeld. In het Nederlands zegt men 'het regent', terwijl er helemaal niets is dat regent. Dit wordt ook wel een loos onderwerp genoemd. De Italianen gebruiken in dit geval geen loos onderwerp en zeggen daarom alleen 'piove', wat 'regent' betekent. Dit is dus in strijd met de theorie van de UG. Het Italiaans lijkt dus een uitzondering op de zogenaamde onderwerpregel te vormen. Om dit probleem op te lossen stellen aanhangers van de theorie van de UG dat sommige woorden blijkbaar alleen in abstracte vorm aanwezig zijn en niet uitgesproken worden. Italiaanse zinnen zoals 'piove' hebben eigenlijk ook een onderwerp, alleen hoor je het niet.
Volgens Prince en Smolensky is dit onuitgesproken onderwerp niet de juiste verklaring voor het verschil tussen het Nederlands en het Italiaans. Zij pleiten dat hoewel beide talen gehoorzamen aan dezelfde regels, de taalregels in deze talen niet even sterk zijn. Er is sprake van meerdere regels. Er is namelijk ook nog een zogenaamde betekenisregel: elk woord in de zin moet bijdragen aan de betekenis. Blijkbaar verschillen deze regels in het Italiaans en het Nederlands in mate van sterkte. Zodra er twee strijdige regels van toepassing zijn, wint de sterke regel het van de zwakke. Deze twee regels, samen met de verplaatsingsregel heten zachte regels, omdat ze niet volledig dwingen zijn. Dit principe, waarbij je tot de 'beste' zin komt door de regels tegen elkaar af te wegen, heet optimalisatie.
Argumenten voor deze theorie zijn de volgende:
- De ontdekking dat de hersenen ook in andere situaties strijdige eisen voor de kiezen krijgen en daarbij een soortgelijk optimalisatieprincipe hanteren.
- 'het scheermes van Occam'. Dit is een vuistregel die stelt dat van twee theorieën die de feiten even goed verklaren, de eenvoudigste theorie de voorkeur geniet. Volgens deze vuistregel is een theorie die geen gebruik maakt van niet-hoorbare onderwerpen te verkiezen boven een theorie die dat wel doet.
- Met harde regels blijk je niet alles te kunnen verklaren.
Ook is er nog een aspect van deze theorie, namelijk reduplicatie. Dit is het geheel of gedeeltelijk kopiëren van de stam van een woord. Neem als voorbeeld het Paamese woord planten (luhi). Stel we dupliceren de eerste twee lettergrepen van het woord luhi. Dit zou dan het woord luhi-luhi moeten vormen, maar als opeenvolgende lettergrepen respectievelijk 'i' en 'u' bevatten, dan verandert de 'i' in een 'u', dus wordt het luhu-luhi: dit wordt de klankregel genoemd. Men gebruikt echter het woord luhu-luhu, maar dit klopt niet volgens bovengenoemde regels. Hier bied de optimaliteitstheorie een uitweg, met het invoeren van een derde regel: de kopie en het origineel moeten identiek zijn (de kopieregel). De lettergreep 'i' mag niet gevold worden door een lettergreep 'u' (klankregel) en de stam van het nieuwe woord moet identiek zijn aan de invoer (invoerregel).
Theorie 3: het sociale instinct
Er zijn ook mensen die het idee dat kinderen een aangeboren grammatica hebben afwijzen. Een van hen is de Amerikaanse psycholoog Tomasello. Volgens hem leren kinderen van wat volwassenen zeggen. Ze leren allerlei verschillende taalkundige structuren tegelijk, in allerlei vormen en omvang en op allerlei niveaus van abstractie. Vervolgens maken zij hun eigen babbeltaaltje door een aantal van die elementen bij elkaar te voegen op een manier die tegemoetkomt aan hun communicatieve bedoelingen. Deze theorie is gebaseerd op het vermogen van mensen om de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. Dit vermogen tot 'gezamenlijke aandacht' ontwikkelt zich vanaf de leeftijd van negen maanden. Tomasello beweert dat niet het taalinstinct is aangeboren, maar juist het sociale instinct. Daarnaast hebben baby's het vermogen patronen te leren herkennen. Dus als een kind een woord vaak hoort, dan gaat het er vanzelf een betekenis aan geven. Volgens hem zijn kinderen, in tegenstelling tot wat Chomksy dacht, wel in staat taal te leren vanuit hun omgeving.
Tomasello stelt dus tegenover de theorie van Chomsky dat kinderen vanuit hun sociale instinct en met het vermogen om patronen te leren herkennen, wel degelijk voldoende kunnen leren van het taalaanbod. Bovendien zou dat taalaanbod helemaal niet zo arm zijn als door de voorstanders van de UG wordt beweerd.
Theorie 4: de neurale-netwerktheorie
Ook de neurale-netwerktheorie gaat ervan uit dat het taalaanbod rijk genoeg is om kinderen taal te leren. Volgens deze theorie leren kinderen geen taal door voorstellingen en regels op te bouwen of in te vullen, maar door het toepassen van meer algemene cognitieve principes en mechanismen. In het kort stelt deze cognitieve theorie dat kinderen taal leren door de verbindingen in het neurale netwerk (zenuwverbindingen in de hersenen) te versterken. De hersenen bestaan uit vele met elkaar verbonden neuronen. De hersenen 'leren' door de sterkte van de verbindingen tussen neuronen aan te passen. Hoe vaker een bepaalde zinsconstructie of een bepaald woord gehoord wordt, hoe sterker de verbinding wordt waarin die informatie over taal is opgeslagen.
De theorie houdt in, dat wanneer de input steeds dezelfde neuronale route volgt, er iets opmerkelijks gebeurt. De neuronen die op die route liggen, veranderen langzaamaan en de route wordt steeds 'begaanbaarder'. Zo ontstaat er een specifieke toestand van neuronen die geactiveerd worden telkens wanneer er een bepaald woord gezegd wordt.
Dit waren alle vier de theorieën die er bestaan over de eerste taalverwerving bij kinderen. Het is echter tot nu toe nog niet mogelijk geweest om door middel van onderzoeken vast te stellen welke theorie de waarheid vertelt, maar u kunt nu in ieder geval voor uzelf bepalen welke theorie u als waarheid acht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten